{"id":10563,"date":"2021-07-26T13:17:15","date_gmt":"2021-07-26T13:17:15","guid":{"rendered":"https:\/\/www.najicherfanfoundation.org\/psalms\/"},"modified":"2022-08-25T18:57:35","modified_gmt":"2022-08-25T18:57:35","slug":"psalmen","status":"publish","type":"page","link":"https:\/\/www.najicherfanfoundation.org\/nl\/psalmen\/","title":{"rendered":"PSALMEN"},"content":{"rendered":"<p>[vc_row][vc_column][vc_column_text css=&#8221;.vc_custom_1661453501299{margin-bottom: 20px !important;}&#8221;]<\/p>\n<h3 style=\"text-align: center;\"><strong><u>Psalmen<\/u><\/strong><\/h3>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 1:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 2:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 3:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong> Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 4:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong> Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 5:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong> Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 6:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong> Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 7:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered die mij zonder oorzaak benauwde!)<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, die bij mij is.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en dien bereid.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong> Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 8:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong> O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 9:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Gij hebt de heidenen gescholden, den goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altoos.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Psalmzingt den HEERE, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong> O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 10:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0O HEERE! waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zijn wegen maken ten allen tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen den arme.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Breek den arm des goddelozen en bozen. zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0De HEERE is Koning eeuwiglijk en altoos; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 11:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen naar ulieder gebergte, als een vogel?<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0De HEERE proeft den rechtvaardige; maar den goddeloze, en dien, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 12:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong> De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 13:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Hoe lang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 14:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht des rechtvaardigen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Och, dat Israels verlossing uit Sion kwam! Als de HEERE de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 15:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 16:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE, mijn goedheid raakt niet tot U;<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 17:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 18:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Voor den opperzangmeester, een psalm van David, de knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid mijner handen, voor Zijn ogen.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.<\/p>\n<p><strong>32<\/strong>\u00a0Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?<\/p>\n<p><strong>33<\/strong>\u00a0Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.<\/p>\n<p><strong>34<\/strong>\u00a0Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.<\/p>\n<p><strong>35<\/strong>\u00a0Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.<\/p>\n<p><strong>36<\/strong>\u00a0Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.<\/p>\n<p><strong>37<\/strong>\u00a0Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.<\/p>\n<p><strong>38<\/strong>\u00a0Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.<\/p>\n<p><strong>39<\/strong>\u00a0Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.<\/p>\n<p><strong>40<\/strong>\u00a0Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.<\/p>\n<p><strong>41<\/strong>\u00a0En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.<\/p>\n<p><strong>42<\/strong>\u00a0Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.<\/p>\n<p><strong>43<\/strong>\u00a0Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten.<\/p>\n<p><strong>44<\/strong>\u00a0Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.<\/p>\n<p><strong>45<\/strong>\u00a0Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen.<\/p>\n<p><strong>46<\/strong>\u00a0Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.<\/p>\n<p><strong>47<\/strong>\u00a0De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils!<\/p>\n<p><strong>48<\/strong>\u00a0De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;<\/p>\n<p><strong>49<\/strong>\u00a0Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.<\/p>\n<p><strong>50<\/strong>\u00a0Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen;<\/p>\n<p><strong>51<\/strong> Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 19:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong> Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 20:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Hij zende uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as. Sela.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods. De HEERE vervulle al uw begeerten.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong> O HEERE! behoud; die Koning verhore ons ten dage van ons roepen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 21:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Gij hebt hem zijns harten wens gegeven, en de uitspraak zijner lippen hebt Gij niet geweerd. Sela.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want Gij komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Want Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid; Gij vervrolijkt hem door vreugde met Uw aangezicht.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Want de koning vertrouwt op den HEERE, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Uw hand zal alle vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Gij zult hen zetten als een vurige oven ter tijd uws toornigen aangezichts; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Want zij hebben kwaad tegen U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, doch zullen niets vermogen.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Want Gij zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen. <strong>14<\/strong> Verhoog U, HEERE! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 22:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0Het zaad zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten.<\/p>\n<p><strong>32<\/strong> Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalme 23:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 24:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen, en heeft ze gevestigd op de rivieren.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 25:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. Aleph. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Daleth. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den ganse dag.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Zain. Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Nun. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beerven.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Thau. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0O God! verlos Israel uit al zijn benauwdheden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 26:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0In welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 27:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils!<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 28:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0De HEERE is hunlieder Sterkte, en Hij is de Sterkheid der verlossingen Zijns Gezalfden.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 29:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. Geeft den HEERE, gij kinderen der machtigen! geeft den HEERE eer en sterkte.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De stem des HEEREN is met kracht, de stem des HEEREN is met heerlijkheid.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0De stem des HEEREN breekt de cederen; ja, de HEERE verbreekt de cederen van Libanon.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0De stem des HEEREN doet de woestijn beven; de HEERE doet de woestijn Kades beven.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0De HEERE heeft gezeten over den watervloed; ja, de HEERE zit, Koning in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 30:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Hoor, HEERE! en wees mij genadig; HEERE! wees mij een Helper.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord;<\/p>\n<p><strong>13<\/strong> Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 31:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Op U, o HEERE! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Neig Uw oor tot mij, red mij haastelijk; wees mij tot een sterke Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijn Sterkte.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend;<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vlieden van mij weg.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Gij verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden des mans; Gij versteekt hen in een hut voor de twist der tongen.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Hebt den HEERE lief, gij, al Zijn gunstgenoten! want de HEERE behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene, die hoogmoed bedrijft.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong> Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den HEERE hoopt!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 32:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 33:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 34:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Aleph. Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Gimel. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Daleth. Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Zain. Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Pe. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Tsade. Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Schin. Hij bewaart al zijn beenderen; niet een van die wordt gebroken.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Thau. De boosheid zal den goddeloze doden; en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong> De HEERE verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 35:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0En breng de spies voort, en sluit den weg toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk! U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving mijner ziel.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0HEERE! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 36:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven. <strong>13<\/strong> Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 37:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Gimel. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Jod. De HEERE kent de dagen der oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Zij zullen niet beschaamd worden in den kwade tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.<\/p>\n<p><strong>32<\/strong>\u00a0Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.<\/p>\n<p><strong>33<\/strong>\u00a0Maar de HEERE laat hem niet in zijn hand; en Hij verdoemt hem niet, als hij geoordeeld wordt.<\/p>\n<p><strong>34<\/strong>\u00a0Koph. Wacht op den HEERE, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.<\/p>\n<p><strong>35<\/strong>\u00a0Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.<\/p>\n<p><strong>36<\/strong>\u00a0Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.<\/p>\n<p><strong>37<\/strong>\u00a0Schin. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.<\/p>\n<p><strong>38<\/strong>\u00a0Maar de overtreders worden te zamen verdelgd. het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.<\/p>\n<p><strong>39<\/strong>\u00a0Thau. Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid.<\/p>\n<p><strong>40<\/strong>\u00a0En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 38:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, om te doen gedenken.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen; ik ga den gansen dag in het zwart.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Mijn hart keert om en om, mijn kracht heeft mij verlaten; en het licht mijner ogen, ook zij zelven zijn niet bij mij.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Verlaat mij niet, o HEERE, mijn God! wees niet verre van mij.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong> Haast U tot mijn hulp, HEERE, mijn Heil!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 39:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong> Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 40:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Davids psalm, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: De HEERE zij groot gemaakt!<\/p>\n<p><strong>18<\/strong> Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 41:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige; de HEERE zal hem bevrijden ten dage des kwaads.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0De HEERE zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De HEERE zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik zeide: O HEERE! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Al mijn haters mompelen te zamen tegen mij; ze bedenken tegen mij, hetgeen mij kwaad is, zeggende:<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weder opstaan.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Want mij aangaande, Gij onderhoudt mij in mijn oprechtigheid, en Gij stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong> Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, amen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 42:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?<\/p>\n<p><strong>12<\/strong> Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 43:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen;<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 44:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; Gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij;<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Om de stem des honers en des lasteraars, vanwege den vijand en den wraakgierige.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden des harten.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong> Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 45<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden; de jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong> Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwiglijk en altoos.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 46<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied op Alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeen;<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde aanricht.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong> De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 47:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Hij brengt de volken onder ons, en de natien onder onze voeten.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong> De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van Abraham; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 48:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De HEERE is groot en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op den berg Zijner heiligheid.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad des groten Konings.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want ziet, de koningen waren vergaderd; zij waren te zamen doorgetogen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Gelijk zij het zagen, alzo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Beving greep hen aldaar aan, smart als van een barende vrouw.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Met een oostenwind verbreekt Gij de schepen van Tharsis.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Gelijk wij gehoord hadden, alzo hebben wij gezien in de stad des HEEREN der heirscharen, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0O God! wij gedenken Uwer weldadigheid, in het midden Uws tempels.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Laat de berg Sion blijde zijn; laat de dochteren van Juda zich verheugen, om Uwer oordelen wil.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Gaat rondom Sion, en omringt haar; telt haar torens;<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Zet uw hart op haar vesting; beschouwt onderscheidenlijk haar paleizen, opdat gij het aan het navolgende geslacht vertelt.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong> Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot den dood toe.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 49:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven;<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0(Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden);<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet;<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong> De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 50:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 51:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong> Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong> Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 52:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Als Doeg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimelech.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong> Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong> Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 53:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0God heeft van den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong> Och, dat Israels verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 54:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth;<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0O God! hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen mijns monds.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong> Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE! loven, want Hij is goed.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong> Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalm 55:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigte zijn zij tegen mij geweest.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong> Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in den put des verderfs; de mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 56<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden;<\/p>\n<p><strong>14<\/strong> Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden?<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 57:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden in gevallen. Sela.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natien.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong> Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 58:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij, vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij, mensenkinderen?<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt;<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong> En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 59<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israels! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Om de zonde huns monds, om het woord hunner lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om den vloek, en om de leugen, die zij vertellen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Verteer hen in grimmigheid; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat hen weten, dat God heerser is in Jakob, ja, tot aan de einden der aarde. Sela.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Laat hen dan tegen de avond wederkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan;<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Maar ik zal Uw sterkte zingen, en des morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat Gij mij een Hoog Vertrek zijt geweest, en een Toevlucht ten dage, als mij bange was.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong> Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Hoog Vertrek, de God mijner goedertierenheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 60:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth;<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Als hij gevochten had met de Syriers van Mesopotamie, en met de Syriers van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Gij hebt het land geschud, Gij hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Sela.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0God heeft gesproken in Zijn heiligdom; dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Gilead is mijn, en Manasse is mijn, en Efraim is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o gij Palestina!<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?<\/p>\n<p><strong>13<\/strong> Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, want &#8217;s mensen heil is ijdelheid.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong> In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 61<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong> Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 62<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek, ik zal niet grotelijks wankelen.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen een man? Gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zij raadslagen slechts, om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek; ik zal niet wankelen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0In God is mijn Heil en mijn Eer; de Rotssteen mijner sterkte, mijn Toevlucht is in God.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0God heeft een ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong> En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 63<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Mijn ziel kleeft U achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Maar dezen, die mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Men zal hen storten door het geweld des zwaards; zij zullen de vossen ten deel worden.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong> Maar de koning zal zich in God verblijden; een iegelijk, die bij Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond der leugensprekers zal gestopt worden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 64<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandelijk aanmerken.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong> De rechtvaardige zal zich verblijden in den HEERE, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 65<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee!<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Die het bruisen der zeeen stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong> De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 66:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 67:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong> God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 68:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam; hoogt de wegen voor Dien, Die in de vlakken velden rijdt, omdat Zijn Naam is HEERE; en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0O God! toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt, toen Gij daarhenen tradt in de woestijn; Sela.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn; zelfs deze Sinai, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israel.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Uw hoop woonde daarin; Gij bereiddet ze door Uw goedheid voor den ellendige, o God!<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0De HEERE gaf te spreken; der boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde den roof uit.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Al laagt gijlieden tussen twee rijen van stenen, zo zult gij toch worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0De berg Basan is een berg Gods; de berg Basan is een bultige berg.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Waarom springt gij op, gij bultige bergen? Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er de HEERE wonen in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid!<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Geloofd zij de HEERE; dag bij dag overlaadt Hij ons. Die God is onze Zaligheid. Sela.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Die God is ons een God van volkomene Zaligheid; en bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Voorzeker zal God den kop Zijner vijanden verslaan, den harigen schedel desgenen, die in zijn schulden wandelt.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0De Heere heeft gezegd: Ik zal wederbrengen uit Basan; Ik zal wederbrengen uit de diepten der zee;<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden, moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van hen.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0O God! zij hebben Uw gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Looft God in de gemeenten, den Heere, gij, die zijt uit den springader van Israel!<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda, met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Uw God heeft uw sterkte geboden; sterk, o God, wat Gij aan ons gewrocht hebt!<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Om Uws tempels wil te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0Scheld het wild gedierte des riets, de vergadering der stieren met de kalveren der volken; en dien, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen.<\/p>\n<p><strong>32<\/strong>\u00a0Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.<\/p>\n<p><strong>33<\/strong>\u00a0Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere! Sela.<\/p>\n<p><strong>34<\/strong>\u00a0Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen, Die van ouds is; ziet, Hij geeft Zijn stem, een stem der sterkte.<\/p>\n<p><strong>35<\/strong>\u00a0Geeft Gode sterkte! Zijn hoogheid is over Israel, en Zijn sterkte in de bovenste wolken.<\/p>\n<p><strong>36<\/strong> O God! Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen; de God Israels, Die geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 69:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.<\/p>\n<p><strong>32<\/strong>\u00a0En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.<\/p>\n<p><strong>33<\/strong>\u00a0De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.<\/p>\n<p><strong>34<\/strong>\u00a0Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.<\/p>\n<p><strong>35<\/strong>\u00a0Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.<\/p>\n<p><strong>36<\/strong>\u00a0Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten;<\/p>\n<p><strong>37<\/strong> En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 70<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Haast U, o God, om mij te verlossen, o HEERE, tot mijn hulp.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha!<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: God zij groot gemaakt!<\/p>\n<p><strong>6<\/strong> Doch ik ben ellendig en nooddruftig; o God, haast U tot mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; HEERE, vertoef niet!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 71<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Op U, o HEERE! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want Gij zijt mijn Verwachting, Heere, HEERE! mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Op U heb ik gesteund van den buik aan; van mijner moeders ingewand aan zijt Gij mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al Uw lof nog groter maken.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, den gansen dag Uw heil; hoewel ik de getallen niet weet.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; Gij, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk?<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels!<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die Gij verlost hebt.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid den gansen dag uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 72:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Voor Salomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Hij zal den arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Geloofd zij de HEERE God, de God Israels, Die alleen wonderen doet.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0De gebeden van David, den zoon van Isai, hebbende een einde.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 73<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 74<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uwer weide?<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Gedenk aan Uw vergadering, die Gij van ouds verworven hebt; de roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt; den berg Sion, waarop Gij gewoond hebt.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Een ieder werd er bekend als een, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtigheid van een geboomte.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Alzo hebben zij nu derzelver graveerselen samen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Waarom trekt Gij Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Gij hebt door Uw sterkte de zee gespleten; Gij hebt de koppen der draken in de wateren verbroken.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan het volk in dorre plaatsen.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; Gij hebt het licht en de zon bereid.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Gij hebt al de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt Gij geformeerd.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den gansen dag.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders; het getier dergenen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 75:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Wij loven U, o God; wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong> En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 76<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israel.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild, en het zwaard, en den krijg. Sela.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil,<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen;<\/p>\n<p><strong>13<\/strong> Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt; Die den koningen der aarde vreselijk is.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 77:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Gij hieldt mijn ogen wakende; ik was verslagen, en sprak niet.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht:<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her;<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Gij zijt die God, Die wonder doet; Gij hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong> Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aaron.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 78:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israel; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0(De kinderen van Efraim, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.)<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israel;<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen;<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.<\/p>\n<p><strong>32<\/strong>\u00a0Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.<\/p>\n<p><strong>33<\/strong>\u00a0Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.<\/p>\n<p><strong>34<\/strong>\u00a0Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;<\/p>\n<p><strong>35<\/strong>\u00a0En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.<\/p>\n<p><strong>36<\/strong>\u00a0En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.<\/p>\n<p><strong>37<\/strong>\u00a0Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.<\/p>\n<p><strong>38<\/strong>\u00a0Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.<\/p>\n<p><strong>39<\/strong>\u00a0En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.<\/p>\n<p><strong>40<\/strong>\u00a0Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!<\/p>\n<p><strong>41<\/strong>\u00a0Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk.<\/p>\n<p><strong>42<\/strong>\u00a0Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste;<\/p>\n<p><strong>43<\/strong>\u00a0Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan;<\/p>\n<p><strong>44<\/strong>\u00a0En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.<\/p>\n<p><strong>45<\/strong>\u00a0Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.<\/p>\n<p><strong>46<\/strong>\u00a0En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.<\/p>\n<p><strong>47<\/strong>\u00a0Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen.<\/p>\n<p><strong>48<\/strong>\u00a0Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.<\/p>\n<p><strong>49<\/strong>\u00a0Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.<\/p>\n<p><strong>50<\/strong>\u00a0Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.<\/p>\n<p><strong>51<\/strong>\u00a0En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.<\/p>\n<p><strong>52<\/strong>\u00a0En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.<\/p>\n<p><strong>53<\/strong>\u00a0Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.<\/p>\n<p><strong>54<\/strong>\u00a0En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.<\/p>\n<p><strong>55<\/strong>\u00a0En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen.<\/p>\n<p><strong>56<\/strong>\u00a0Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.<\/p>\n<p><strong>57<\/strong>\u00a0En zij weken terug, en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.<\/p>\n<p><strong>58<\/strong>\u00a0En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.<\/p>\n<p><strong>59<\/strong>\u00a0God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israel zeer.<\/p>\n<p><strong>60<\/strong>\u00a0Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.<\/p>\n<p><strong>61<\/strong>\u00a0En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.<\/p>\n<p><strong>62<\/strong>\u00a0En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.<\/p>\n<p><strong>63<\/strong>\u00a0Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.<\/p>\n<p><strong>64<\/strong>\u00a0Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.<\/p>\n<p><strong>65<\/strong>\u00a0Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.<\/p>\n<p><strong>66<\/strong>\u00a0En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.<\/p>\n<p><strong>67<\/strong>\u00a0Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraim verkoos Hij niet.<\/p>\n<p><strong>68<\/strong>\u00a0Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.<\/p>\n<p><strong>69<\/strong>\u00a0En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>70<\/strong>\u00a0En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;<\/p>\n<p><strong>71<\/strong>\u00a0Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israel, Zijn erfenis.<\/p>\n<p><strong>72<\/strong>\u00a0Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 79<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Zo zullen wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 80<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Voor den opperzangmeester, op Schoschannim; een getuigenis, een psalm van Asaf.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O Herder Israels! neem ter ore, Die Jozef als schapen leiddet; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkende.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraim, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Gij hebt ons onzen naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0O God der heirscharen! breng ons weder, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt denzelven geplant;<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen Gods.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Hij schoot zijn ranken uit tot aan de zee, en zijn scheuten tot aan de rivier.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken, zodat allen, die den weg voorbijgaan, hem plukken?<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild des velds heeft hem afgeweid.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0O God der heirscharen! keer toch weder; aanschouw uit den hemel, en zie, en bezoek dezen wijnstok,<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0En den stam, dien Uw rechterhand geplant heeft, en dat om den zoon, dien Gij U gesterkt hebt!<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van het schelden Uws aangezichts.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Uw hand zij over den man Uwer rechterhand, over des mensen zoon, dien Gij U gesterkt hebt.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong> O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 81:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Voor den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte; juicht den God van Jakob.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Heft een psalm op, en geeft de trommel; de liefelijke harp met de luit.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want dit is een inzetting in Israel, een recht van den God Jakobs.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond;<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik heb zijn schouder van den last onttrokken; zijn handen zijn van de potten ontslagen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Mijn volk, zeide Ik hoor toe, en Ik zal onder u betuigen, Israel, of gij naar Mij hoordet!<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Er zal onder u geen uitlands god wezen, en gij zult u voor geen vreemden god nederbuigen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Ik ben de Heere, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israel heeft Mijner niet gewild.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israel in Mijn wegen gewandeld had!<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Die den HEERE haten, zouden zich Hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong> En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotsstenen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 82:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden;<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten;<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 83:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied, een psalm van Asaf.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken het hoofd op.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Zij maken listiglijk een heimelijken aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen zich tegen Uw verborgenen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Want zij hebben in het hart te zamen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt;<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0De tenten van Edom en der Ismaelieten, Moab en de Hagarenen;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison;<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek der aarde.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeeb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna;<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o HEERE! Uw Naam zoeken.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen;<\/p>\n<p><strong>19<\/strong> Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 84:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0HEERE, God der heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter oren, o God van Jakob! Sela.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen. <strong>13<\/strong> HEERE der heirscharen! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 85:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong> De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 86:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een gebed van David. HEERE! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunstgenoot, o Gij, mijn God! verlos Uw knecht die op U betrouwt.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zijt mij genadig, HEERE! want ik roep tot U den gansen dag.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Verheug de ziel Uws knechts; want tot U, HEERE! verhef ik mijn ziel.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want Gij, HEERE! zijt goed, en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0HEERE! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem mijner smekingen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0In den dag mijner benauwdheid roep ik U aan, want Gij verhoort mij.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en er zijn geen gelijk Uw werken.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Want Gij zijt groot, en doet wonderwerken; Gij alleen zijt God.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Wend U tot mij, en zijt mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos den zoon Uwer dienstmaagd.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn haters zien, en beschaamd worden, als Gij, HEERE! mij geholpen, en mij getroost zult hebben.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 87:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De HEERE bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! Sela.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyrier, met den Moor, deze is aldaar geboren.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De HEERE zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende: Deze is aldaar geboren. Sela.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0En de zangers, gelijk de speellieden, mitsgaders al mijn fonteinen, zullen binnen u zijn.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 88:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, den Ezrahiet.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf?<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij?<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong> Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 89:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ik zal de goedertierenheid des HEEREN eeuwiglijk zingen; ik zal Uw waarheid met mijn mond bekend maken, van geslacht tot geslacht.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; in de hemelen zelve hebt Gij Uw waarheid bevestigd, zeggende:<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen:<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Dies loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE! ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0O HEERE, God der heirscharen! wie is als Gij, grootmachtig, o HEERE! en Uw getrouwheid is rondom U.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt Gij ze.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0De hemel is Uwe, ook is de aarde Uwe; de wereld en haar volheid, die hebt Gij gegrond.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Het noorden en het zuiden, die hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent; o HEERE! zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Zij zullen zich den gansen dag verheugen in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Want Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Want ons schild is van den HEERE, en onze koning is van den Heilige Israels.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils!<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;<\/p>\n<p><strong>32<\/strong>\u00a0Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden;<\/p>\n<p><strong>33<\/strong>\u00a0Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen.<\/p>\n<p><strong>34<\/strong>\u00a0Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen.<\/p>\n<p><strong>35<\/strong>\u00a0Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.<\/p>\n<p><strong>36<\/strong>\u00a0Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!<\/p>\n<p><strong>37<\/strong>\u00a0Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon.<\/p>\n<p><strong>38<\/strong>\u00a0Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in den hemel is getrouw. Sela.<\/p>\n<p><strong>39<\/strong>\u00a0Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uw gezalfde.<\/p>\n<p><strong>40<\/strong>\u00a0Gij hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.<\/p>\n<p><strong>41<\/strong>\u00a0Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.<\/p>\n<p><strong>42<\/strong>\u00a0Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.<\/p>\n<p><strong>43<\/strong>\u00a0Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd.<\/p>\n<p><strong>44<\/strong>\u00a0Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd.<\/p>\n<p><strong>45<\/strong>\u00a0Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden; en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten.<\/p>\n<p><strong>46<\/strong>\u00a0Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.<\/p>\n<p><strong>47<\/strong>\u00a0Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?<\/p>\n<p><strong>48<\/strong>\u00a0Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?<\/p>\n<p><strong>49<\/strong>\u00a0Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.<\/p>\n<p><strong>50<\/strong>\u00a0HEERE! waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij David gezworen hebt bij Uw trouw?<\/p>\n<p><strong>51<\/strong>\u00a0Gedenk, HEERE! aan de smaad Uwer knechten, dien ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.<\/p>\n<p><strong>52<\/strong>\u00a0Waarmede, o HEERE! Uw vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen Uws gezalfden smaden.<\/p>\n<p><strong>53<\/strong> Geloofd zij de HEERE in eeuwigheid! Amen, ja, amen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 90:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een gebed van Mozes, den man Gods. HEERE! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert;<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 91<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt;<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! De Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek;<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 92:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm, een lied, op den sabbatdag.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE!<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn,<\/p>\n<p><strong>16<\/strong> Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 93<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Van toen af is Uw troon bevestigd, Gij zijt van eeuwigheid af.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0De rivieren verheffen, o HEERE! de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Doch de HEERE in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uw huize sierlijk, HEERE! tot lange dagen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 94:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert?<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 95:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 96:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Zingt den HEERE een nieuw lied; zingt de HEERE, gij ganse aarde!<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Zingt den HEERE, looft Zijn Naam; boodschapt Zijn heil van dag tot dag.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Geeft den HEERE, gij geslachten der volken! geeft den HEERE eer en sterkte.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Geeft den HEERE de eer Zijns Naams; brengt offer, en komt in Zijn voorhoven.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms; schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen des wouds juichen.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 97:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen, en het steekt Zijn wederpartijen rondom aan brand.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0De bergen smelten als was voor het aanschijn des HEEREN, voor het aanschijn des HEEREN der ganse aarde.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle gij goden!<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o HEERE!<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Want Gij, HEERE! zijt de Allerhoogste over de gehele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijner gunstgenoten; Hij redt hen uit der goddelozen hand.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Gij rechtvaardigen! verblijdt u in den HEERE, en spreekt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 98<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm. Zingt den HEERE een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israels; en al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Psalmzingt den HEERE met de harp, met de harp en met de stem des gezangs,<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Met trompetten en bazuinengeklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des HEEREN.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven,<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 99:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0De HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De HEERE is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is;<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u neder voor de voetbank Zijner voeten; Hij is heilig!<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Mozes en Aaron waren onder Zijn priesters, en Samuel onder de aanroepers Zijns Naams; zij riepen tot den HEERE, en Hij verhoorde hen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0O HEERE, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u voor den berg Zijner heiligheid; want de HEERE, onze God, is heilig.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 100:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lofzang. Gij ganse aarde! juicht den HEERE.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Dient den HEERE met blijdschap, komt voor Zijn aanschijn met vrolijk gezang.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Weet, dat de HEERE is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want de HEERE is goed; Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, en Zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 101:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE!<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ik zal verstandelijk handelen in den oprechten weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtigheid mijns harten.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 102:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dagen als ik roep, verhoor mij haastelijk.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Maar Gij, HEERE! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Dan zullen de heidenen den Naam des HEEREN vrezen, en alle koningen der aarde Uw heerlijkheid.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed;<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven;<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben;<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Opdat men den Naam des HEEREN vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Hij heeft mijn kracht op den weg ter nedergedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen;<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geeindigd worden.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong> De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 103:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest;<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt, den kinderen Israels Zijn daden.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Looft den HEERE, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Looft den HEERE, al Zijn heirscharen! gij Zijn dienaars, die Zijn welbehagen doet!<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij. Loof den HEERE, mijn ziel!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 104:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.<\/p>\n<p><strong>32<\/strong>\u00a0Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.<\/p>\n<p><strong>33<\/strong>\u00a0Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.<\/p>\n<p><strong>34<\/strong>\u00a0Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.<\/p>\n<p><strong>35<\/strong>\u00a0De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 105:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde zich.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Gij zaad van Abraham, Zijn knecht, gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene!<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid, des woords, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten;<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Des verbonds, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak;<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Welken Hij ook gesteld heeft aan Jakob tot een inzetting, aan Israel tot een eeuwig verbond,<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaan, het snoer van ulieder erfdeel.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Als zij weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin;<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk;<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf des broods.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Hij zond een man voor hun aangezicht henen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser der volken liet hem los.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed;<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Daarna kwam Israel in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0En Hij deed Zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan Zijn tegenpartijders.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aaron, dien Hij verkoren had.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Zij deden onder hen de bevelen Zijner tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Hun land bracht vorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner koningen.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale.<\/p>\n<p><strong>32<\/strong>\u00a0Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.<\/p>\n<p><strong>33<\/strong>\u00a0En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte hunner landpalen.<\/p>\n<p><strong>34<\/strong>\u00a0Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal;<\/p>\n<p><strong>35<\/strong>\u00a0Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hunner landbouwe op.<\/p>\n<p><strong>36<\/strong>\u00a0Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hunner krachten.<\/p>\n<p><strong>37<\/strong>\u00a0En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.<\/p>\n<p><strong>38<\/strong>\u00a0Egypte was blijde, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen.<\/p>\n<p><strong>39<\/strong>\u00a0Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.<\/p>\n<p><strong>40<\/strong>\u00a0Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.<\/p>\n<p><strong>41<\/strong>\u00a0Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.<\/p>\n<p><strong>42<\/strong>\u00a0Want Hij dacht aan Zijn heilig woord, aan Abraham, Zijn knecht.<\/p>\n<p><strong>43<\/strong>\u00a0Alzo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich.<\/p>\n<p><strong>44<\/strong>\u00a0En Hij gaf hun de landen der heidenen, zodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken;<\/p>\n<p><strong>45<\/strong>\u00a0Opdat zij Zijn inzettingen onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 106:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Hallelujah! Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen?<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan; wij hebben goddelooslijk gehandeld.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des HEEREN.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>32<\/strong>\u00a0Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.<\/p>\n<p><strong>33<\/strong>\u00a0Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.<\/p>\n<p><strong>34<\/strong>\u00a0Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had;<\/p>\n<p><strong>35<\/strong>\u00a0Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.<\/p>\n<p><strong>36<\/strong>\u00a0En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.<\/p>\n<p><strong>37<\/strong>\u00a0Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd.<\/p>\n<p><strong>38<\/strong>\u00a0En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.<\/p>\n<p><strong>39<\/strong>\u00a0En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.<\/p>\n<p><strong>40<\/strong>\u00a0Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.<\/p>\n<p><strong>41<\/strong>\u00a0En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.<\/p>\n<p><strong>42<\/strong>\u00a0En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.<\/p>\n<p><strong>43<\/strong>\u00a0Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>44<\/strong>\u00a0Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.<\/p>\n<p><strong>45<\/strong>\u00a0En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden.<\/p>\n<p><strong>46<\/strong>\u00a0Dies gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden.<\/p>\n<p><strong>47<\/strong>\u00a0Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.<\/p>\n<p><strong>48<\/strong>\u00a0Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 107:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Dat zulks de bevrijden des HEEREN zeggen, die Hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0En die Hij uit de landen verzameld heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis, die geen stad ter woning vonden;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0En Hij leidde hen op een rechten weg, om te gaan tot een stad ter woning.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Hij voerde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij brak hun banden.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Want Hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0De zotten worden om den weg hunner overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Hun ziel gruwelde van alle spijze, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hun kuilen.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Die met schepen ter zee afvaren, handel doende op grote wateren;<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Die zien de werken des HEEREN, en Zijn wonderwerken in de diepte.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Zij rijzen op naar den hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Hij doet de storm stilstaan, zodat hun golven stilzwijgen.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij hen tot de haven hunner begeerte geleid heeft.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.<\/p>\n<p><strong>32<\/strong>\u00a0En Hem verhogen in de gemeente des volks, en in het gestoelte der oudsten Hem roemen.<\/p>\n<p><strong>33<\/strong>\u00a0Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land.<\/p>\n<p><strong>34<\/strong>\u00a0Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.<\/p>\n<p><strong>35<\/strong>\u00a0Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.<\/p>\n<p><strong>36<\/strong>\u00a0En Hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten een stad ter woning;<\/p>\n<p><strong>37<\/strong>\u00a0En bezaaien akkers, en planten wijngaarden, die inkomende vrucht voortbrengen.<\/p>\n<p><strong>38<\/strong>\u00a0En Hij zegent hen, zodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert Hij niet.<\/p>\n<p><strong>39<\/strong>\u00a0Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.<\/p>\n<p><strong>40<\/strong>\u00a0Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.<\/p>\n<p><strong>41<\/strong>\u00a0Maar Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.<\/p>\n<p><strong>42<\/strong>\u00a0De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.<\/p>\n<p><strong>43<\/strong>\u00a0Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandelijk letten op de goedertierenheden des HEEREN.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 108:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied, een psalm van David.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Ik zal U loven onder de volken, o HEERE! en ik zal U psalmzingen onder de natien.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Opdat Uw beminden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Gilead is mijn, Manasse is mijn, en Efraim is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en Die niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid; want des mensen heil is ijdelheid.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong> In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 109:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Mijn knieen struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 110:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De HEERE zal de scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0De HEERE is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage Zijns toorns.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan dengene, die het hoofd is over een groot land.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 111:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Gimel. De werken des HEEREN zijn groot; Daleth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0He. Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Zain. Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt; Cheth. de HEERE is genadig en barmhartig.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Teth. Hij heeft degenen, die Hem vrezen, spijs gegeven; Jod. Hij gedenkt in der eeuwigheid aan Zijn verbond.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Caph. Hij heeft de kracht Zijner werken Zijn volke bekend gemaakt; Lamed. hun gevende de erve der heidenen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Mem. De werken Zijner handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Samech. Zij zijn ondersteund voor altoos, en in eeuwigheid; Ain. zijnde gedaan in waarheid en oprechtigheid.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Pe. Hij heeft Zijn volke verlossing gezonden; Tsade. Hij heeft Zijn verbond in eeuwigheid geboden; Koph. Zijn Naam is heilig en vreselijk.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 112:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Gimel. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; Daleth. het geslacht der oprechten zal gezegend worden.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0He. In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Zain. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Teth. Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Caph. Zekerlijk, hij zal in der eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Ain. totdat hij op zijn wederpartijen zie.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Pe. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens der goddelozen zal vergaan.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 113:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 114:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Toen Israel uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israel Zijn volkomene heerschappij.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0De zee zag het, en vlood; de Jordaan keerde achterwaarts.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet?<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren?<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 115:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Israel! vertrouw gij op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Gij huis van Aaron! vertrouw op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israel zegenen, Hij zal het huis van Aaron zegenen.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>Psalmen 116:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 117<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 118:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Dat Israel nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Het huis van Aaron zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Dat degenen, die den HEERE vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0In de tenten der rechtvaardigen is een stem des gejuichs en des heils; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0De rechterhand des HEEREN is verhoogd; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Dit is de dag, dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen, en verblijd zijn.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Och HEERE! geef nu heil; och HEERE! geef nu voorspoed.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 119<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.<\/p>\n<p><strong>27<\/strong>\u00a0Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.<\/p>\n<p><strong>28<\/strong>\u00a0Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.<\/p>\n<p><strong>29<\/strong>\u00a0Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.<\/p>\n<p><strong>30<\/strong>\u00a0Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.<\/p>\n<p><strong>31<\/strong>\u00a0Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.<\/p>\n<p><strong>32<\/strong>\u00a0Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.<\/p>\n<p><strong>33<\/strong>\u00a0He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.<\/p>\n<p><strong>34<\/strong>\u00a0Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.<\/p>\n<p><strong>35<\/strong>\u00a0Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.<\/p>\n<p><strong>36<\/strong>\u00a0Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.<\/p>\n<p><strong>37<\/strong>\u00a0Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.<\/p>\n<p><strong>38<\/strong>\u00a0Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.<\/p>\n<p><strong>39<\/strong>\u00a0Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.<\/p>\n<p><strong>40<\/strong>\u00a0Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>41<\/strong>\u00a0Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;<\/p>\n<p><strong>42<\/strong>\u00a0Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.<\/p>\n<p><strong>43<\/strong>\u00a0En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.<\/p>\n<p><strong>44<\/strong>\u00a0Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.<\/p>\n<p><strong>45<\/strong>\u00a0En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.<\/p>\n<p><strong>46<\/strong>\u00a0Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.<\/p>\n<p><strong>47<\/strong>\u00a0En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.<\/p>\n<p><strong>48<\/strong>\u00a0En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.<\/p>\n<p><strong>49<\/strong>\u00a0Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.<\/p>\n<p><strong>50<\/strong>\u00a0Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.<\/p>\n<p><strong>51<\/strong>\u00a0De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.<\/p>\n<p><strong>52<\/strong>\u00a0Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.<\/p>\n<p><strong>53<\/strong>\u00a0Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.<\/p>\n<p><strong>54<\/strong>\u00a0Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.<\/p>\n<p><strong>55<\/strong>\u00a0HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.<\/p>\n<p><strong>56<\/strong>\u00a0Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.<\/p>\n<p><strong>57<\/strong>\u00a0Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.<\/p>\n<p><strong>58<\/strong>\u00a0Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.<\/p>\n<p><strong>59<\/strong>\u00a0Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.<\/p>\n<p><strong>60<\/strong>\u00a0Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.<\/p>\n<p><strong>61<\/strong>\u00a0De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.<\/p>\n<p><strong>62<\/strong>\u00a0Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>63<\/strong>\u00a0Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.<\/p>\n<p><strong>64<\/strong>\u00a0HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.<\/p>\n<p><strong>65<\/strong>\u00a0Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.<\/p>\n<p><strong>66<\/strong>\u00a0Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.<\/p>\n<p><strong>67<\/strong>\u00a0Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.<\/p>\n<p><strong>68<\/strong>\u00a0Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.<\/p>\n<p><strong>69<\/strong>\u00a0De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.<\/p>\n<p><strong>70<\/strong>\u00a0Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.<\/p>\n<p><strong>71<\/strong>\u00a0Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.<\/p>\n<p><strong>72<\/strong>\u00a0De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.<\/p>\n<p><strong>73<\/strong>\u00a0Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.<\/p>\n<p><strong>74<\/strong>\u00a0Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.<\/p>\n<p><strong>75<\/strong>\u00a0Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.<\/p>\n<p><strong>76<\/strong>\u00a0Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.<\/p>\n<p><strong>77<\/strong>\u00a0Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.<\/p>\n<p><strong>78<\/strong>\u00a0Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.<\/p>\n<p><strong>79<\/strong>\u00a0Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.<\/p>\n<p><strong>80<\/strong>\u00a0Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.<\/p>\n<p><strong>81<\/strong>\u00a0Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.<\/p>\n<p><strong>82<\/strong>\u00a0Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?<\/p>\n<p><strong>83<\/strong>\u00a0Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.<\/p>\n<p><strong>84<\/strong>\u00a0Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?<\/p>\n<p><strong>85<\/strong>\u00a0De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.<\/p>\n<p><strong>86<\/strong>\u00a0Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.<\/p>\n<p><strong>87<\/strong>\u00a0Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.<\/p>\n<p><strong>88<\/strong>\u00a0Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.<\/p>\n<p><strong>89<\/strong>\u00a0Lamed. O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.<\/p>\n<p><strong>90<\/strong>\u00a0Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;<\/p>\n<p><strong>91<\/strong>\u00a0Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.<\/p>\n<p><strong>92<\/strong>\u00a0Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.<\/p>\n<p><strong>93<\/strong>\u00a0Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.<\/p>\n<p><strong>94<\/strong>\u00a0Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.<\/p>\n<p><strong>95<\/strong>\u00a0De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.<\/p>\n<p><strong>96<\/strong>\u00a0In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.<\/p>\n<p><strong>97<\/strong>\u00a0Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.<\/p>\n<p><strong>98<\/strong>\u00a0Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.<\/p>\n<p><strong>99<\/strong>\u00a0Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.<\/p>\n<p><strong>100<\/strong>\u00a0Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.<\/p>\n<p><strong>101<\/strong>\u00a0Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.<\/p>\n<p><strong>102<\/strong>\u00a0Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.<\/p>\n<p><strong>103<\/strong>\u00a0Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!<\/p>\n<p><strong>104<\/strong>\u00a0Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.<\/p>\n<p><strong>105<\/strong>\u00a0Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.<\/p>\n<p><strong>106<\/strong>\u00a0Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>107<\/strong>\u00a0Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.<\/p>\n<p><strong>108<\/strong>\u00a0Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.<\/p>\n<p><strong>109<\/strong>\u00a0Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.<\/p>\n<p><strong>110<\/strong>\u00a0De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.<\/p>\n<p><strong>111<\/strong>\u00a0Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.<\/p>\n<p><strong>112<\/strong>\u00a0Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.<\/p>\n<p><strong>113<\/strong>\u00a0Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.<\/p>\n<p><strong>114<\/strong>\u00a0Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.<\/p>\n<p><strong>115<\/strong>\u00a0Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.<\/p>\n<p><strong>116<\/strong>\u00a0Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.<\/p>\n<p><strong>117<\/strong>\u00a0Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.<\/p>\n<p><strong>118<\/strong>\u00a0Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.<\/p>\n<p><strong>119<\/strong>\u00a0Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.<\/p>\n<p><strong>120<\/strong>\u00a0Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.<\/p>\n<p><strong>121<\/strong>\u00a0Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.<\/p>\n<p><strong>122<\/strong>\u00a0Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.<\/p>\n<p><strong>123<\/strong>\u00a0Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.<\/p>\n<p><strong>124<\/strong>\u00a0Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.<\/p>\n<p><strong>125<\/strong>\u00a0Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.<\/p>\n<p><strong>126<\/strong>\u00a0Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.<\/p>\n<p><strong>127<\/strong>\u00a0Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.<\/p>\n<p><strong>128<\/strong>\u00a0Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.<\/p>\n<p><strong>129<\/strong>\u00a0Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.<\/p>\n<p><strong>130<\/strong>\u00a0De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.<\/p>\n<p><strong>131<\/strong>\u00a0Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.<\/p>\n<p><strong>132<\/strong>\u00a0Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.<\/p>\n<p><strong>133<\/strong>\u00a0Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.<\/p>\n<p><strong>134<\/strong>\u00a0Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.<\/p>\n<p><strong>135<\/strong>\u00a0Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.<\/p>\n<p><strong>136<\/strong>\u00a0Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.<\/p>\n<p><strong>137<\/strong>\u00a0Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.<\/p>\n<p><strong>138<\/strong>\u00a0Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.<\/p>\n<p><strong>139<\/strong>\u00a0Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.<\/p>\n<p><strong>140<\/strong>\u00a0Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.<\/p>\n<p><strong>141<\/strong>\u00a0Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.<\/p>\n<p><strong>142<\/strong>\u00a0Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.<\/p>\n<p><strong>143<\/strong>\u00a0Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.<\/p>\n<p><strong>144<\/strong>\u00a0De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.<\/p>\n<p><strong>145<\/strong>\u00a0Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.<\/p>\n<p><strong>146<\/strong>\u00a0Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.<\/p>\n<p><strong>147<\/strong>\u00a0Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.<\/p>\n<p><strong>148<\/strong>\u00a0Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.<\/p>\n<p><strong>149<\/strong>\u00a0Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.<\/p>\n<p><strong>150<\/strong>\u00a0Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.<\/p>\n<p><strong>151<\/strong>\u00a0Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.<\/p>\n<p><strong>152<\/strong>\u00a0Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.<\/p>\n<p><strong>153<\/strong>\u00a0Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.<\/p>\n<p><strong>154<\/strong>\u00a0Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.<\/p>\n<p><strong>155<\/strong>\u00a0Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.<\/p>\n<p><strong>156<\/strong>\u00a0HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.<\/p>\n<p><strong>157<\/strong>\u00a0Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.<\/p>\n<p><strong>158<\/strong>\u00a0Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.<\/p>\n<p><strong>159<\/strong>\u00a0Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.<\/p>\n<p><strong>160<\/strong>\u00a0Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>161<\/strong>\u00a0Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.<\/p>\n<p><strong>162<\/strong>\u00a0Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.<\/p>\n<p><strong>163<\/strong>\u00a0Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.<\/p>\n<p><strong>164<\/strong>\u00a0Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>165<\/strong>\u00a0Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.<\/p>\n<p><strong>166<\/strong>\u00a0O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.<\/p>\n<p><strong>167<\/strong>\u00a0Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.<\/p>\n<p><strong>168<\/strong>\u00a0Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.<\/p>\n<p><strong>169<\/strong>\u00a0Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.<\/p>\n<p><strong>170<\/strong>\u00a0Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.<\/p>\n<p><strong>171<\/strong>\u00a0Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.<\/p>\n<p><strong>172<\/strong>\u00a0Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.<\/p>\n<p><strong>173<\/strong>\u00a0Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.<\/p>\n<p><strong>174<\/strong>\u00a0O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.<\/p>\n<p><strong>175<\/strong>\u00a0Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.<\/p>\n<p><strong>176<\/strong>\u00a0Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 120:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 121:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 122:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israels, om den Naam des HEEREN te danken.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 123:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 124:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel,<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 125:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 126<\/u><\/strong>:<\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 127:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 128:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israel!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 129:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 130:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Israel hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0En Hij zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 131:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Israel hope op den HEERE van nu aan tot in der eeuwigheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 132:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden;<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 133:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aaron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 134:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lied Hammaaloth. Ziet, looft den HEERE, alle gij knechten des HEEREN! gij, die allen nacht in het huis des HEEREN staat.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft den HEERE.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 135: <\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren, Israel tot Zijn eigendom.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Want ik weet, dat de HEERE groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeen en alle afgronden.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mens af tot het vee toe.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Farao en tegen al zijn knechten.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde;<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaan,<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0En Hij gaf hun land ten erve, ten erve aan Zijn volk Israel.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0O HEERE! Uw Naam is in eeuwigheid; HEERE! Uw gedachtenis is van geslacht tot geslacht.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Want de HEERE zal Zijn volk richten, en het zal Hem berouwen over Zijn knechten.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Gij huis Israels! looft den HEERE; gij huis Aarons! looft den HEERE.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Gij huis van Levi! looft den HEERE; gij die den HEERE vreest! looft den HEERE.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 136:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid;<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Looft den God der goden; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Looft den Heere der heren; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Dien, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Dien, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Dien, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Dien, Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0De zon tot heerschappij op den dag; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0De maan en sterren tot heerschappij in den nacht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Dien, Die de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0En heeft Israel uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Dien, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0En voerde Israel door het midden van dezelve; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Hij heeft Farao met zijn heir gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Die Zijn volk door de woestijn geleid heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Die grote koningen geslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0En heeft heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Sihon, de Amorietischen koning; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0En Og, den koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0En heeft hun land ten erve gegeven; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Ten erve aan Zijn knecht Israel; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0En Hij heeft ons onzen tegenpartijders ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>25<\/strong>\u00a0Die allen vlees spijs geeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>26<\/strong>\u00a0Looft den God des hemels; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 137:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Als zij, die ons aldaar gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zingt ons een van de liederen Sions;<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve!<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 138:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ten dage, als ik riep, zo hebt Gij mij verhoord; Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan, en den verhevene kent Hij van verre.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in der eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 139:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Zou ik niet haten HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?<\/p>\n<p><strong>22<\/strong>\u00a0Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.<\/p>\n<p><strong>23<\/strong>\u00a0Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.<\/p>\n<p><strong>24<\/strong>\u00a0En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 140:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David, voor den opperzangmeester.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Red mij, HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Ik heb tot den HEERE gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter ore, o HEERE! de stem mijner smekingen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0HEERE, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Ik weet, dat de HEERE de rechtzaak des ellendigen, en het recht der nooddruftigen zal uitvoeren.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong> Gewisselijk, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten zullen voor Uw aangezicht blijven.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 141:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Hun rechters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 142:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong> Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 143:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. O HEERE! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Ik gedenk aan de dagen van ouds; ik overleg al Uw daden; ik spreek bij mijzelven van de werken Uwer handen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Verhoor mij haastelijk, HEERE! mijn geest bezwijkt; verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou gelijk worden dengenen, die in den kuil dalen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0En roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel beangstigen; want ik ben Uw knecht.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 144:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een psalm van David. Gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingeren ten oorlog;<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Gij, die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Opdat onze zonen zijn als planten, welke groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochter als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Dat onze winkelen vol zijnde, den enen voorraad na den anderen uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Dat onze ossen wel geladen zijn; dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijs zij op onze straten.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk, wiens God de HEERE is.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 145:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Een lofzang van David. Aleph. O mijn God, Gij Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altoos.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Beth. Te allen dage zal ik U loven, en Uw Naam prijzen in eeuwigheid en altoos.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Gimel. De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0He. Ik zal uitspreken de heerlijkheid der eer Uwer majesteit, en Uw wonderlijke daden.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Vau. En zij zullen vermelden de kracht Uwer vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Zain. Zij zullen de gedachtenis der grootheid Uwer goedheid overvloediglijk uitstorten, en zij zullen Uw gerechtigheid met gejuich verkondigen.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Cheth. Genadig en barmhartig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Teth. De HEERE is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Caph. Zij zullen de heerlijkheid Uws Koninkrijks vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Lamed. Om de mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer der heerlijkheid Zijns Koninkrijks.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Samech. De HEERE ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Ain. Aller ogen wachten op U; en Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Pe. Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Tsade. De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Koph. De HEERE is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Resch. Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Schin. De HEERE bewaart al degenen, die Hem liefhebben; maar Hij verdelgt alle goddelozen.<\/p>\n<p><strong>21<\/strong>\u00a0Thau. Mijn mond zal den prijs des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heiligen Naam loven in der eeuwigheid en altoos.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 146:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op den HEERE, zijn God is;<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; Die trouwe houdt in der eeuwigheid.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Die den verdrukte recht doet, Die den hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0De HEERE opent de ogen der blinden; de HEERE richt de gebogenen op; de HEERE heeft de rechtvaardigen lief.<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0De HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddelozen weg keert Hij om.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0De HEERE zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Sion! is van geslacht tot geslacht. Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 147:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0De HEERE bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israels verdrevenen.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De HEERE houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans.<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0De HEERE heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen.<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God.<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Want Hij maakt de grendelen uwer poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0Die uw landpalen in vrede stelt; Hij verzadigt u met het vette der tarwe.<\/p>\n<p><strong>15<\/strong>\u00a0Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel.<\/p>\n<p><strong>16<\/strong>\u00a0Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as.<\/p>\n<p><strong>17<\/strong>\u00a0Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?<\/p>\n<p><strong>18<\/strong>\u00a0Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.<\/p>\n<p><strong>19<\/strong>\u00a0Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israel Zijn inzettingen en Zijn rechten.<\/p>\n<p><strong>20<\/strong>\u00a0Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 148:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren!<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt!<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0En Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Looft den HEERE, van de aarde; gij walvissen en alle afgronden!<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!<\/p>\n<p><strong>10<\/strong>\u00a0Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!<\/p>\n<p><strong>11<\/strong>\u00a0Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!<\/p>\n<p><strong>12<\/strong>\u00a0Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen!<\/p>\n<p><strong>13<\/strong>\u00a0Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.<\/p>\n<p><strong>14<\/strong>\u00a0En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd, den roem al Zijner gunstgenoten, der kinderen Israels, des volks, dat nabij Hem is. Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 149:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de gemeente Zijner gunstgenoten.<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Dat Israel zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp.<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Want de HEERE heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil.<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om die eer; dat zij juichen op hun legers.<\/p>\n<p><strong>6<\/strong>\u00a0De verheffingen Gods zullen in hun keel zijn; en een tweesnijdend zwaard in hun hand;<\/p>\n<p><strong>7<\/strong>\u00a0Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken;<\/p>\n<p><strong>8<\/strong>\u00a0Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;<\/p>\n<p><strong>9<\/strong>\u00a0Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah!<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong><u>Psalmen 150:<\/u><\/strong><\/p>\n<p><strong>1<\/strong>\u00a0Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!<\/p>\n<p><strong>2<\/strong>\u00a0Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!<\/p>\n<p><strong>3<\/strong>\u00a0Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp!<\/p>\n<p><strong>4<\/strong>\u00a0Looft Hem met de trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel!<\/p>\n<p><strong>5<\/strong>\u00a0Looft Hem met hel klinkende cimbalen; looft Hem met cimbalen van vreugdegeluid!<\/p>\n<p><strong>6<\/strong> Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah![\/vc_column_text][\/vc_column][\/vc_row]<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>[vc_row][vc_column][vc_column_text css=&#8221;.vc_custom_1661453501299{margin-bottom: 20px !important;}&#8221;] Psalmen &nbsp; Psalmen 1: 1\u00a0Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters; 2\u00a0Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht. 3\u00a0Want hij zal zijn als [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":2,"featured_media":0,"parent":0,"menu_order":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"om_disable_all_campaigns":false},"aioseo_notices":[],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.najicherfanfoundation.org\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/10563"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.najicherfanfoundation.org\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/pages"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.najicherfanfoundation.org\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/types\/page"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.najicherfanfoundation.org\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.najicherfanfoundation.org\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=10563"}],"version-history":[{"count":5,"href":"https:\/\/www.najicherfanfoundation.org\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/10563\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":10568,"href":"https:\/\/www.najicherfanfoundation.org\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/10563\/revisions\/10568"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.najicherfanfoundation.org\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=10563"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}